Lijst met sterke werkwoorden

 

A | B | C | D | E | F | G | H | I | J |

K |L | M | N |O | P | Q | R |

S | T | U | V | W | X | Y | Z

 

Infinitief verleden tijd enkelvoud verleden tijd meervoud voltooid deelwoord X
bakken bakte bakten gebakken 1
bannen bande banden gebannen 1
barsten barstte barstten gebarsten 1
bederven bedierf bedierven bedorven 2
bedriegen bedroog bedrogen bedrogen 3
beginnen begon begonnen begonnen* 4
behangen behangde behangden behangen 1
bergen borg borgen geborgen 6
bevelen beval bevalen bevolen 7
bezwijken bezweek bezweken bezweken* 5
bidden bad baden gebeden 8
bieden bood boden geboden 3
bijten beet beten gebeten 5
binden bond bonden gebonden 4
blazen blies bliezen geblazen 9
blijken bleek bleken gebleken* 5
blijven bleef bleven gebleven 5
blinken blonk blonken geblonken 4
braden braadde braadden gebraden 1
breken brak braken gebroken 7
brengen bracht brachten gebracht 10
brouwen brouwde brouwden gebrouwen 1
buigen boog bogen gebogen 11
denken dacht dachten gedacht 10
dingen naar dong naar dongen naar gedongen naar 4
dragen droeg droegen gedragen 12
drijven dreef dreven gedreven 5
dringen drong drongen gedrongen 4
drinken dronk dronken gedronken 4
druipen droop dropen gedropen 11
duiken dook doken gedoken 11
dwingen dwong dwongen gedwongen 4
eten at aten gegeten 13
gelden gold golden gegolden 6
genezen genas genazen genezen 13
genieten genoot genoten genoten 3
geven gaf gaven gegeven 13
gieten goot goten gegoten 3
glijden gleed gleden gegleden 5
glimmen glom glommen geglommen 4
graven groef groeven gegraven 12
grijpen greep grepen gegrepen 5
jagen joeg joegen gejaagd 15
kiezen koos kozen gekozen 3
kijken keek keken gekeken 5
klimmen klom klommen geklommen 4
klinken klonk klonken geklonken 4
kluiven kloof kloven gekloven 11
knijpen kneep knepen geknepen 5
kopen kocht kochten gekocht 10
krijgen kreeg kregen gekregen 5
krimpen kromp krompen gekrompen* 4
kruipen kroop kropen gekropen 11
zich kwijten van kweet zich van kweten zich van zich gekweten van 5
lachen lachte lachten gelachen 1
laden laadde laadden geladen 1
laten liet lieten gelaten 9
lezen las lazen gelezen 13
liegen loog logen gelogen 3
liggen lag lagen gelegen 8
lijden leed leden geleden 5
lijken leek leken geleken 5
lopen liep liepen gelopen 16